|
Van onze voorzitter"Indien ik u vergete, o Jeruzalem, zo vergete mij mijn rechterhand", Ps. 137:5. De zomer heeft iets bijzonders. Velen van ons hebben vakantie. We laten het werk eens rusten. We genieten van de zon, of de regen. Deze tijd is een ideale tijd voor bezinning. In de natuur groeit alles rustig door, door zon en regen, totdat de oogsttijd aanbreekt. In de bijbel is deze zomerperiode, tussen de voorjaarsoogst en de najaarsoogst in, een periode van afwachten, van verwachten wat God doet groeien. Wij kunnen zaaien en oogsten, maar God moet de wasdom geven. Ook in deze zomerperiode leefde Israël toe naar de 9e b'Av (29 juli). Dat is de dag waarop zowel de 1e als de 2e tempel werden verwoest. Ook was het de dag dat de Joden in 1492 uit Spanje moesten vertrekken. Zoveel rampspoed in de geschiedenis steeds op dezelfde dag van het jaar. In de synagoge is men dan toe aan een nieuw boek uit de Torah, het slotboek Deuteronomium. Dit laatste boek geeft een samenvatting van de hele Torah. We kennen de samenvatting als het liefdes-gebod (Deuteronomium 6:4-6). Ook Jezus citeert dit in Marcus. 12:29-31. Naast een nieuw boek uit de Torah, leest men een nieuw boek uit de profeten en wel Jesaja 1. Daarin komen we de bekende woorden tegen: "Komt toch en laat ons tezamen richten, zegt de Here; al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw..." (vers 18). Dit geeft de belofte weer, dat God zijn volk niet in de rampspoed laat zitten, maar dat ze gereinigd zullen worden. Bovenstaande wordt nog eens versterkt door de laatste lezing uit de geschriften (Psalm 137). Deze psalm heeft het opschrift: aan Babels stromen. Dit geeft aan hoe men zich voelde, ná alle rampspoed. Ook nu wordt de situatie in Israël steeds moeilijker. De druk op Israël neemt steeds meer toe. En dan toch in het centrum van deze Psalm 137 is er de oproep: "Indien ik u vergete, o Jeruzalem, zo vergete mij mijn rechterhand." (vers 5). Dat is niet alleen voor Israël, maar ook voor ons een oproep en een aanmoediging, hoe wij ook deze zomer doorbrengen. De oproep klinkt, dat in het centrum van ons doen en laten, in voorspoed of tegenspoed, wij Jeruzalem niet moeten vergeten en blijven bidden, totdat God het stelt tot een lof op aarde.
|
| ||||||||